De lepelaar is een grote, witte vogel, beroemd om zijn lepelvormige snavel waarmee hij in ondiep water zoekt naar visjes en insecten, door zijn snavel heen en weer te bewegen. Ze broeden in kolonies in rietkragen, trekken in de winter naar West-Afrika, en onderscheiden zich in broedkleed door een gele borstvlek en kuif. Hun populatie is in Nederland sterk gegroeid, mede dankzij beschermingsmaatregelen. 

Kenmerken & Herkenning

  • Unieke Snavel: Het meest opvallende kenmerk is de lange, zwarte snavel met een gele punt, die aan het einde breed en lepelvormig is.
  • Broedkleed: Volwassen vogels krijgen in het voorjaar een opvallende oranje-gele borstvlek, een geel snavelpuntje en een lange, afhangende kuif.
  • Juvenielen: Jonge lepelaars hebben zwarte vleugeltoppen en een vleeskleurige snavel.
  • Vlucht: Ze vliegen met gestrekte nek en lange poten, met regelmatige, wat langzame vleugelslagen. 

Leefwijze & Voedsel

  • Foerageren: Ze maaien met hun snavel door het water; gevoelige sensoren in de snavel vangen prooien op zoals kleine vissen, garnalen, insecten en wormen.
  • Habitat: Ze leven in moerasgebieden, op de wadden en in slikken, zowel zoet- als zoutwatergebieden.
  • Broeden: Ze broeden in kolonies, vaak verborgen in rietkragen, en bouwen nesten van gras en biezen. 

Trek & Overwintering

  • Winterverblijf: Nederlandse lepelaars trekken in de herfst naar de kust van West-Afrika, met name het gebied rond de Banc d'Arguin in Mauritanië.
  • Trektocht: De trek duurt soms twee maanden, waarbij de jongen een hoog sterftecijfer kennen door jacht en uitputting. 

Nederlandse Situatie

  • Beschermingssucces: De lepelaar is een beschermingssucces, met een grote toename van het aantal broedparen sinds de jaren '70.
  • Broedvogel: Nederland is een belangrijk broedgebied voor de soort in Noordwest-Europa.