De degenkrab is een 445 miljoen jaar oud "levend fossiel" dat nauwer verwant is aan spinnen en schorpioenen dan aan krabben. Ze hebben opmerkelijk blauw koperhoudend bloed, dat wordt gebruikt om medische apparatuur op bacteriën te testen. Deze dieren hebben tien poten, vier ogen en kunnen hun staart gebruiken om om te draaien.
Hier zijn de belangrijkste weetjes over de degenkrab:
- Oeroud: Ze bestaan al langer dan de dinosauriërs en zijn in al die miljoenen jaren nauwelijks geëvolueerd.
- Blauw bloed: Het bloed is blauw door een hoog kopergehalte (hemocyanine). Dit bloed is van onschatbare waarde voor de medische wetenschap: het stolt bij contact met bacteriële gifstoffen, wat wordt gebruikt in de zogenoemde LAL-test voor het testen van medicijnen en vaccins.
- Geen echte krab: Ze behoren tot de klasse Arachnida (spinachtigen).
- Ogen: Volwassen degenkrabben hebben vier ogen, terwijl de larven er zes hebben.
- Staart is geen wapen: De stekelachtige staart wordt gebruikt om zich in te graven of om zichzelf om te draaien als ze op hun rug terechtkomen.
- Vervellen: Tot hun volwassenheid vervellen ze ongeveer 17 keer.
- Lichtgevend (bijna): Tijdens het paren in het voorjaar komen ze in grote groepen naar de kust, vaak bij volle maan.
Ondanks hun pantser worden de populaties bedreigd door verlies van leefgebied en overbevissing.