De doodshoofdkakkerlak (Blaberus craniifer) is een tropische kakkerlak, bekend om de doodshoofd-vormige vlek op zijn rugschild. Deze grote, vleugeldragende insecten kunnen niet vliegen, sisgeluiden maken bij gevaar en worden vaak gekweekt als voederdieren voor reptielen. Ze gedijen bij en eten vrijwel alles.
Hier zijn de belangrijkste weetjes over de doodshoofdkakkerlak:
- Naamgeving: De naam komt van een zwarte vlek op het rugschild (pronotum) die sterk doet denken aan een doodshoofd.
- Sissend geluid: Bij gevaar of stress kunnen ze een sissend geluid produceren.
- Vleugels maar geen vliegers: Hoewel volwassen exemplaren vleugels hebben, kunnen ze niet vliegen.
- Grootte en uiterlijk: Het zijn relatief grote kakkerlakken, vaak bruin/beige van kleur.
- Voortplanting en groei: Vrouwtjes leggen eieren in een pakketje (oötheek). De nimfen vervellen meerdere keren, waarbij ze vlak na de vervelling spierwit zijn voordat hun pantser uithardt en donkerder wordt.
- Voeding: Het zijn alleseters (omnivoren) die zich voeden met groenten, fruit, hondenbrokjes en organisch afval.
- Habitat en temperatuur: Ze komen oorspronkelijk uit tropische gebieden. Ze hebben een warme omgeving nodig (ideaal rond
) en kunnen in Nederland niet overleven in de vrije natuur.
- Groepsdieren: Het zijn sociale insecten die goed in groepen gehouden kunnen worden.
Doodshoofdkakkerlakken worden vaak verward met andere soorten, maar ze zijn gemakkelijk te herkennen aan het "doodshoofd" op hun rug.